Glimlach
Wanneer ik in de haardstede staar, zie ik een lachende trek. Fonkelend, te ver weg om in verzeilt te raken, maar genoeg vuur om de warmte te voelen.
Wanneer ik in de haardstede staar, zie ik een lachende trek. Fonkelend, te ver weg om in verzeilt te raken, maar genoeg vuur om de warmte te voelen.
We herkennen de ware liefde vaak veel te laat, en helaas na schade en schande, stupide gedragingen en onbedoelde handelingen, tragiek alom – maar misschien kunnen we toch nog éénworden of vergeven. Vooral dat laatste.
“Goedenavond, welkom bij deze cursus succesvol schrijven!’ de man ziet op van zijn zetel en kijkt het lokaal rond zoals het iemand met het ‘diploma praten in een gezelschap’ betaamt. Zijn glimlach is gemaakt, geforceerd, en dat geeft hem een griezelig aangezicht. Een schijnbaar vriendelijke kerel die desondanks zijn avonduren doorbrengt met het martelen van kleine cavia’s, dat is de indruk die hij op me maakt. De vriendelijke engerd vervolgt zijn verhaal.
‘Vandaag zijn we bijeen met een tiental amateurschrijvers. Allen publiceren met enige regelmaat nieuwe werken, maar helaas met wisselend succes.’
Instemmend gemauw vult het lokaaltje. Ik betrap mijzelf erop ook lichtjes mee te knikken met de iets te serieuze mensen om mij heen.
‘Mijn naam is Paulus’ – ik hoor hem de us expliciet uitspreken – ‘de Boer, en ik zal vandaag in deze workshop de aard van jullie gebrek aan succes identificeren.’
PaulUs neemt met irritante soepelheid (mannen, ik ben interessant) afstand van zijn stoelt, vouwt de handen achter zijn rug en begint zijn ‘maak contact met je cursisten’-ronde tussen de banken. Ik zit achterin, een gewoonte die ik niet kwijt ben geraakt sinds de jaren van de middelbare school. Het kost de heer De Boer slechts enkele stappen om bij mijn tafeltje aan te komen. Paulus plaats de palmen van zijn hand tegen elkaar, tuit zijn lippen en zonder na te laten mij eerst indringend in de ogen te kijken vuurt hij zijn eerste ingestudeerde ‘hoe presenteer ik mijn eerste vraag zonder dat hij ingestudeerd overkomt’-vraag op mij af.
‘Hallo,’ glimlachend kijkt Paulus naar het mij opgedrongen naambordje, ‘Freerk. Wat is jouw probleem?’
Nu is een dergelijke vraag mij al eerder gesteld, maar vaak was dit wanneer ik te lang met een voor mijn gevoel ontwapenende glimlach een representant van één van de minderheden in mijn buurt probeerde te begroeten. Ik trek dan ook mijn wenkbrauwen hoog op – over tien jaar zal ik spijt hebben van de rimpels – en probeer wanhopig steun te zoeken bij mijn medecursisten. Zij blijken echter bevangen te zijn door een serieuze knikmantra en schijnen niet te beseffen dat Paulus regelrecht eng is. In een poging toch nog waar voor mijn geld te krijgen – ja, ik heb geld betaald – besluit ik mr. Glimlach te beantwoorden.
‘Probleem? Ik heb geen probleem,’ antwoord ik naar volledige waarheid. Om mij heen schrikt men. Ik zie, hoor en voel het. Zelfs Paulus lijkt een beetje overrompeld.
‘Géén problemen?’ vraag hij mij.
‘Nope,’ ik schud mijn hoofd.
‘Niet misbruikt?’ Paulus lijkt oprecht verbaasd.
‘Nee echt niet!’ het voelt alsof ik me moet verdedigen.
‘Slechte jeugd gehad?’ de glimlach hapert en een spatje wanhoop lijkt bezit te nemen van onze cursusleider.
‘Redelijke jeugd,’ antwoord ik.
‘Misschien dan een enge oom, een overleden zus, of een handtastelijke meester?’ Paulus lijkt overtuigd nu toch wel een snaar geraakt te hebben.
Bij gebrek aan woorden om negatief te antwoorden trek ik mijn schouders op en maak met mijn hoofd een ontkennend gebaar.
Meneer de cursusleider raakt duidelijk geïrriteerd. Hij wendt zijn blik een moment af en klemt de kaken op elkaar. Een ingeving lijkt hem echter op te beuren en Paulus durft het weer aan me toe te spreken.
‘Dan zul je nooit een groot schrijver worden,’ zegt hij mij, met een triomfantelijke glimlach op zijn smoel, ‘want echte schrijvers schrijven vanuit het diepst van hun leed en duistere gevoelens.’
Paulus draait zich van mij af en richt zich tot de rest van de cursisten, die nog steeds met serieuze blik weten te knikken alsof het bevestigen van zaken één van de hogere kunsten is.
‘Ik heb plezier in schrijven!’ roep ik hem nog na, maar schamperend gelach valt mij ten deel, ik merk dat de andere cursisten zachtjes meegrinniken. Plezier in schrijven, kom nou. Menig amateur-schrijver schudt weemoedig het hoofd.
Ik ben pissig. Ik word te kakken gezet door een gay-en-nerd-in-één met een griezelige glimlach en heb daar nog € 30,- voor betaald ook.
‘En u dan?’ vraag ik hem, ‘ooit verkracht door een groep hitsige oma’s?’
Paulus draait zich om, ongecontroleerd knikt hij met zijn nek. Ik geef hem geen tijd om te antwoorden en vraag verder.
‘Misbruikt door uw vader, moeder?’
Hysterie maakt zich van me meester.
‘Uw broer dood in de vijver gevonden?
‘Uw opa, fout in de oorlog?’
‘Als achtjarig kind sex gehad met uw twee jaar jongere buurjongen?’
‘Dyslexie?’
‘Een vernauwde voorhuid waardoor uw toompje ging bloeden tijdens het masturberen?’
‘Angst om te masturberen?’
‘Ruzie met je lievelingsbeer?’
Paulus staat er onbeholpen bij.
‘Geen vrouw in je leven?’
‘Geen geluk?’
‘De wereld heeft het op je gemunt?’
Hij houdt zich groot, maar ik interpreteer zijn lichaamstaal als bevestigend.
Ik matig mijn volume, fluister zachtjes, zodat niemand anders in de zaal mij kan horen.
‘Paulus,’ ik probeer hem bemoedigend aan te kijken, ‘martelt u kleine zoogdieren?’
Schuldbewust kijkt hij weg. Een lichte knik leidt zijn antwoord in.
‘Ja…’
‘Niet meer doen hè,’ zeg ik hem.
‘Nee,’ schudt Paulus, en hij begint zachtjes te huilen.
Vannacht lukte het bijna. Ik liep door de stad en kuste ten willekeur en uit het niets de mooiste meisjes die ik tegen kwam. Allen stemden in. Hun vriendjes echter niet. Alsnog werd ik zwetend en schreeuwend wakker, achter na gezeten door een menigte bodybuilders, rockstars en surfdudes.
Het ging bijna perfect.
Vorige week jongstleden. “Het mag een klein beetje korter, de twijfel moet van de gezichten af te lezen zijn, geknipt of niet geknipt?” vertelde ik de kapper. Hij keek bedenkelijk. Zijn schaar knipte met veel welbehagen mijn lang gekweekte lokken. Door de rust en het vertederende muziekje verzeilde ik in een behaaglijke droomtoestand. Waar abrupt een einde aan kwam. “Wat vind je ervan?” Ik sperde mijn ogen wagenwijd open. Een bijna gemillimeterd kapsel en ogen die verbazing en woede lieten zien. “Wat is dit?” mompelde ik verslagen. “Zo zul je er beter uitzien.” zei hij zelfverzekerd. Ik betaal en schiet de deur uit.
Gisteren jongstleden. Met twee spuitbussen verf storm ik de kapsalon binnen. Ik spuit enkele fraaie kronkels op de muur. “Zo zal je zaak er beter uitzien.”
Waar is de eenvoudigheid van vroeger gebleven, de man met de knuppel, een vrouwpersoon aan de haren naar zijn grot gesleept. Hij overlaadt haar met schelpjes en de zwaarste keien, verwarmt haar met een zo pas ontdekt vuur.
En op dat moment heeft zij hoofdpijn.
Ik schrijf om te kwetsen, te choqueren of om regels te ontlopen. Ik schrijf om een mooi plaatje in uw hoofd te creëren, of juist niet. Daglicht, avondlicht, ik schrijf uit zwakte omdat ik het soms ook niet meer weet. Of juist wel. Ik schrijf om u te laten nadenken.
Douchen, ik besluit om te douchen. Van douchen knap je altijd op. Ja, ik moet douchen, maar eerst moet ik van de bank zien te komen. In gedachten ben ik al oneindig keer opgestaan. Ik denk het zo hard, dat ik het zelf bijna geloof. Het stilliggen op de bank en het staren naar de zoveelste herhaling van het nieuws maakt me ongelukkig, maar de gedachte aan iets anders doen dan ongelukkig op de bank liggen doet me helemaal janken van afgrijzen. De miserabele staat waarin ik me nu bevind, is waarschijnlijk de meest comfortabele situatie waarin ik mij de komende weken zal terugvinden. Daarom wil ik dood. Misschien is dat wel gewoon beter. Zelfmoord is echter nog meer moeite dan douchen en ik ben lui. Dat verwijd ik anderen altijd, dat ze zo verschrikkelijk lui zijn.
Douchen, van douchen knap je op. Met veel tegenzin murm ik mijzelf van de bank, geef Theodorus een aai over zijn opgezette kop en strompel als een zielige bejaarde naar de badkamer. Half uitgekleed draai ik de douche aan. Terwijl het water zich opwarmt hang ik voorovergebogen tegen de wasbak. Het kletterende water doet mij op een-of-andere manier rustig worden. De dampende stoom die de badkamer vult, de druppeltjes op de spiegel en mijn warme klamme huid doen mij verklappen dat ik wederom de tijd doe verstrijken.
“Jongen,” probeerde hij geruststellend, “er zijn meer meisjes dan kerkklokken.”
“Dat is waar!” antwoordde ik, en ik veegde de traantjes uit mijn ooghoeken, snoot mijn neus en keek de sloeberige slungel met herboren kracht aan. Vervolgens graaide ik in mijn jaszak.
“Hier!” zei ik, en drukte een euro in zijn hand, “Voor twee koprollen.”
De zwerver keek me vreemd aan en zette het toen op een lopen. “Rot op met je koprollen!” riep hij nog uit.